Beste Theodor Holman… een briefje van God

Ook een goedemorgen, Theodor Holman! Ik hoop dat jij een leukere week hebt dan Ik. Ik moest lezen dat het percentage atheïsten in Nederland sinds 2006 van 14% naar 24% was gestegen. En alsof dat nog niet erg genoeg was, analyseerde iedereen Mij dood in krant en op tv. Dat doen ze al sinds Mijn oude vriend Nietzsche, hoor, Ik schrik daar niet meer zo van. Ik maak Me eeuwig drukker om de dood van mensen dan om Mijn eigen verdwijnen. Bij het openen van de Blendle nieuwsbrief kwam Ik ook nog een felle brief van jou tegen. Kick ‘em while they’re down, moet je gedacht hebben.

‘U bent niet dood, maar eeuwig stervende’, zeg je, en mooier kon Ik het zelf niet verwoorden. Ja, dat is een beetje het lentefeest van Pasen: de God die geen dictator speelt, maar zich laat kruisigen, telkens weer. Door Romeinse soldaten, door vieze priesters, door hypocriete christenhonden, door Amsterdamse columnisten. Omdat in die kleinheid, die dienstbaarheid het grote geheim zit. En omdat er na dat kruis een hoopvol gerucht door de massa’s ritselt: God staat ook weer op, en de mensen met Hem.

Ik vind dan wel dat je een beetje een stropop van Me maakt, door alle godsbeelden die er maar zijn op een hoopje te gooien, en het resultaat dan af te branden. Maar je kunt Mij niet verantwoordelijk stellen voor alle waanbeelden die op Mij geprojecteerd worden. Je moet weten: overal waar Ik aanbeden word, word ik naar het beeld van Mijn aanbidders gevormd. Wie Mij aanbidt als een autoritaire chagrijn, heeft zelf vaak wat tirannieke trekjes. Wie Mij aanbidt als een luie knuffelbeer, heeft zelf vaak een wat inactieve softheid over zich. Jij, Theodor Holman, schijnt Mij te zien als een multi-talent dat het goed bedoelt, maar de controle een beetje is kwijtgeraakt. Waarvan akte.

Je schuift Mij al het lijden op aarde in de schoenen, maar hé, wat kan Ik eraan doen? Het ging al mis bij de schepping: de verf die Ik morste vliegt plotseling in brand, het palet valt vlammend uit Mijn hand. Jullie begonnen elkaar vanaf het begin te categoriseren, buiten te sluiten, te benijden, te onderdrukken, te haten. Dat was natuurlijk nooit het idee, waarde Theodor.

Op de plekken waar de meeste mensen tot Mij bidden, daar is juist de meeste ellende, zeg je. Natuurlijk. Nood leert bidden. Maar bidden doe je niet omdat je hoopt op zo’n vreselijk ouderwetse bliksemschicht uit de hemel. Nee, de bedoeling is dat overal waar mensen voor Mij knielen, ook mensen in Mijn naam opstaan. Tegen onrecht, voor een wereld van liefde en vrede. God is geen toverformule voor vrede, geen antwoord op alle vragen – God is een roeping, een vraag aan alle mensen.

Je vraagt me waar Ik was, toen dit en dit en dat gebeurde. Maar Ik bén het jongetje dat aanspoelt op het strand, en aan jou vraagt: waar ben je, mens? Je zegt, dat Ik beter tot jullie kan bidden dan andersom, en dat is natuurlijk waar. Je vous prie, Theodor, zul je Mijn wereld mooier maken dan je haar betrad, toen je de voornaam ‘Godsgeschenk’ kreeg? Je zegt, dat jullie mensen beter in vrede zijn dan Ik. Zo is dat, zo is dat. Dus doe het dan ook, in Godsnaam! Amen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *